





























Hadeeth Cards
Da'wa cards that highlight great meanings from the noble prophetic hadiths in a simple style and attractive display that helps the Muslim to have a deeper understanding of his religion in an easy way
All
Van "Djabir ibn Abdullah (moge Allah tevreden zijn met hen beiden) heeft overgeleverd dat hij de boodschapper van Allah (vrede zij met hem) heeft horen zeggen tijdens het Jaar van de Verovering, terwijl hij zich in Mekka bevond: 'Voorwaar, Allah en Zijn boodschapper hebben de verkoop van wijn, dood vlees, varkensvlees en afgoden verboden.' Toen werd gevraagd: 'O boodschapper van Allah, wat denkt u over het verkopen van het vet van dood vee, aangezien dit wordt gebruikt om schepen te dichten, huiden in te vetten en lantaarns te ontsteken?' Hij antwoordde: 'Nee, dat is verboden.' Daarna zei de boodschapper van Allah (vrede zij met hem) op dat moment: 'Moge Allah de Joden vervloeken. Toen Allah hun het vet van dieren verbood, smolten ze het en verkochten het, en zij aten de opbrengst ervan".
Overeengekomen tussen al-Boekhari en Moeslim"Djabir ibn Abdoellah (moge Allah tevreden zijn met hen beiden) heeft overgeleverd dat hij de profeet (vrede zij met hem) heeft horen zeggen tijdens het Jaar van de Verovering, terwijl hij zich in Mekka bevond: 'Voorwaar, Allah en Zijn boodschapper hebben de verkoop van wijn, dood vlees, varkensvlees en afgoden verboden.' Toen werd gevraagd: 'O Boodschapper van Allah, wat denkt u over het verkopen van het vet van dood vee, aangezien dit wordt gebruikt om schepen te dichten, huiden in te vetten en lantaarns te ontsteken?' Hij antwoordde: 'Nee, dat is verboden.' Daarna zei de profeet (vrede zij met hem) op dat moment: 'Moge Allah de Joden vernietigen en hen vervloeken. Toen Allah hen het vet van dieren verbood, smolten ze het en verkochten het, en zij aten de opbrengst ervan.'"
Zirr ibn Hoebaysh (moge Allah tevreden zijn met hem) dat: Ik ben bij Safwan ibn ‘Assal Al-Moeradi gekomen om hem te vragen over het wrijven over de voeten bij het dragen van de al-khoeffayn. Hij vroeg: ‘'Wat brengt jou hier, O Zirr?’ Ik zei: ‘'Het zoeken naar kennis.'’ Hij zei: ‘'De engelen spreiden hun vleugels over de zoeker van kennis, uit tevredenheid over hetgeen hij zoekt.’' Ik zei: ‘'Het wrijven over de schoenen na ontlasting en urineren is bij mij in het hart blijven hangen en ik was iemand van de metgezellen van de Profeet (vrede zij met hem), daarom ben ik gekomen om jou te vragen: heb je hem hierover iets horen zeggen?’ Hij zei: ‘'Ja. Hij beval ons, wanneer wij op reis waren of onderweg, onze schoenen drie dagen en nachten niet uit te trekken, behalve bij grote onreinheid; maar wel na ontlasting, urineren of slapen.’' Ik vroeg: '‘Heb je hem iets horen zeggen over het winden?'’ Hij zei: ‘'Ja. Wij waren met de Profeet (vrede zij met hem) op reis, toen een bedoeïne luid naar hem riep: “O Mohammed!” De Profeet (vrede zij met hem) antwoordde op een vergelijkbare toon: “Hier zijn zij.” Wij zeiden tegen hem: “Wees voorzichtig met je stem, want je bent bij de Profeet (vrede zij met hem) en je bent gewaarschuwd tegen dit.” Hij zei: “Bij Allah, ik zal mijn stem niet verlagen.” De bedoeïne zei: “Een mens houdt van zijn volk en wil zich bij hen voegen.” Toen zei de Profeet (vrede zij met hem): “De mens zal zijn bij degene van wie hij houdt op de Dag des Oordeels.” Hij bleef ons verder vertellen totdat hij een reisroute van de westelijke kant van het land noemde, een afstand die een rijdier in veertig of zeventig jaar aflegt.’'
Overgeleverd door At-Tirmidhi, Ibn Maja en AhmedZirr ibn Hoebaish kwam bij Safwan ibn ‘Assal -moge Allah tevreden zijn met hem- om hem te vragen over het wrijven over de voeten bij het dragen van de kousen (Al-khoeffayn). Safwan vroeg: ‘'Wat brengt jou hier, O Zirr?'’ Hij zei: ‘'Het zoeken naar kennis.’' Safwan antwoordde: ‘'De engelen spreiden hun vleugels uit voor de zoeker van kennis, uit tevredenheid en eerbied voor hetgeen de zoeker van kennis verricht.’' Zirr zei: ‘'In mijn hart bleef het wrijven over de sokken na ontlasting en urineren hangen en jij bent iemand van de metgezellen van de Profeet (vrede zij met hem). Daarom ben ik gekomen om jou te vragen: "Heb je de Profeet hierover iets horen zeggen?" Safwaan zei: ‘'Ja, hij beval ons, wanneer wij op reis waren, onze sokken drie dagen en nachten niet uit te trekken bij kleine onreinheden zoals ontlasting, urineren of slapen; alleen bij grote onreinheid (zoals geslachtsgemeenschap) moesten wij ze echter uitdoen.’' Ik vroeg: ‘'Heb je hem iets horen zeggen over winden?’ Hij zei: ‘'Ja. Wij waren met de Profeet (vrede zij met hem) op reis, toen een bedoeïen hem luid riep: “O Mohammed!” De Profeet (vrede zij met hem) antwoordde met een toon die dicht bij die van hem lag: “Kom hier.” Wij zeiden tegen hem: “Wees voorzichtig met je stem, want je bent bij de Profeet (vrede zij met hem) en je bent gewaarschuwd voor het verheffen van je stem in zijn aanwezigheid.'' Maar hij antwoordde vastberaden: ‘'Bij Allah, ik zal mijn stem niet verlagen.’' Daarop zei de bedoeïen: '‘O Boodschapper van Allah, een mens kan rechtschapen mensen liefhebben, zonder hun daden te evenaren.’' De Profeet (vrede zij met hem) zei: ‘'De mens zal op de Dag des Oordeels zijn met degene van wie hij houdt.’' Zirr zei: '‘Safwan bleef ons verder vertellen, totdat hij sprak over een poort van toewijding en berouw aan de zijde van de Levant. Deze poort heeft Allah geschapen op het moment dat Hij de hemelen en de aarde schiep. De afstand ervan bedraagt wat een rijdier in veertig tot zeventig jaar zou afleggen. Deze poort zal niet gesloten worden, totdat de zon uit het westen opkomt.'' ''
Van Aboe Dharr (moge Allah tevreden zijn met hem ) zei, dat de Boodschapper van Allah (vrede zij met hem) zei: "O, Aboe Dharr, wanneer je soep kookt, voeg dan veel water toe en zorg goed voor je buren."
Overgeleverd door MoeslimDe Profeet (vrede zij met hem) moedigde Aboe Dharr al-Ghifari (moge Allah tevreden zijn met hem) aan om bij het koken van soep veel water toe te voegen, zodat het meer vloeistof heeft en om zijn buren regelmatig te controleren en voor hen te zorgen.
Overgeleverd door Aboe Sa'id al-Khoedri (moge Allah tevreden zijn met hem), die zei: "De engel Giebriel (vrede zij met hem) kwam tot de Profeet Mohammed (vrede en zegeningen van Allah zij met hem) en sprak tot hem: ‘'O Mohammed, ben je ziek?’' De Profeet antwoordde: ‘'Ja.’' Daarop sprak Giebriel het volgende uit: “In de Naam van Allah doe ik roeqya voor je; tegen alles wat je schaadt; tegen het kwaad van iedere ziel en tegen de afgunstige blik van een jaloerse; moge Allah jou genezen. In de Naam van Allah bezweer ik je.”
Overgeleverd door MoeslimDe engel Giebriel (vrede zij met hem) begaf zich naar de Profeet (vrede zij met hem) en stelde hem de vraag: '‘O Mohammed, ben je ziek?’' De Profeet antwoordde: '‘Ja.’' Daarop verrichtte Jiebriel een roeqya over de Profeet met de volgende woorden: “In de Naam van Allah,” steunend op Zijn verheven Wezen, “doe ik roeqya voor je”, “tegen alles wat je kan schaden,” of het nu gering of ernstig is, “tegen het kwaad van iedere ziel,” “en tegen de afgunstige blik van een jaloerse” opdat deze jou niet treft. “Moge Allah jou genezen,” moge Hij jou beschermen, genezing schenken en behoeden voor elk kwaad. “In de Naam van Allah doe ik roeqya voor je,” herhaalde hij deze woorden omwille van de nadruk en bekrachtiging. Hij begon en eindigde met de Naam van Allah, als aanwijzing dat er niemand is die baat of nadeel kan brengen, behalve Hij, de Verhevene.
Overgeleverd door Aboe Hoemayd as-Saaʿidi — moge Allah tevreden met hem zijn: "De Boodschapper van Allah (vrede zij met hem) stelde een man aan om toezicht te houden op de liefdadigheidsinkomsten (zakaat) van de stam van Banoe Soelaym. Deze man stond bekend als Ibn Al-Loetbiyya. Toen hij terugkeerde, legde hij rekenschap af tegenover de Profeet (vrede zij met hem) en zei: ‘'Dit is het geld dat voor u bestemd is en dit hier is een gift die mij persoonlijk geschonken is.’' Daarop sprak de Boodschapper van Allah (vrede zij met hem): “Had je dan niet beter thuis gezeten, in het huis van je vader en moeder, om te zien of die gift je ook daar zou bereiken, als je werkelijk oprecht bent?” Vervolgens beklom hij de preekstoel, prees en loofde Allah, en sprak: “Welnu, tot de kern van de zaak: Ik vertrouw een van jullie een taak toe uit hetgeen Allah mij heeft toevertrouwd aan liefdadigheidsmiddelen of oorlogsbuit. Dan keert hij terug en zegt: ‘'Dit is wat u toekomt en dit is een gift die aan mij persoonlijk werd geschonken!’' Had hij dan niet beter in het huis van zijn vader en moeder gezeten, om te zien of hem die gift ook daar zou bereiken? Bij Allah, niemand van jullie zal ook maar iets nemen dat hem niet rechtmatig toekomt, of hij zal zijn Heer op de Dag der Opstanding ontmoeten, terwijl hij datgene draagt op zijn schouders: een kameel die luid zal brullen, een koe die zal loeien, of een schaap dat zal blaten.” Daarna hief de Profeet (vrede en zegeningen van Allah zij met hem) zijn handen zo hoog, dat het wit van zijn oksels zichtbaar werd, terwijl hij zei: “O Allah, heb ik (Uw boodschap) overgebracht?” Aboe Hoemayd as-Saaʿidi — moge Allah tevreden met hem zijn — zei: “Mijn ogen hebben dit gezien en mijn oren hebben het gehoord.” "
Overeengekomen tussen al-Boekhari en MoeslimDe Profeet (vrede zij met hem) stelde een man genaamd Ibn al-Loetbiyya aan om de zakaat te innen bij de stam van Banoe Soelaym. Toen deze man terugkeerde naar de stad Medina, legde hij verantwoording af over de inkomsten en uitgaven en zei: Dit is het geld dat aan de gemeenschap toekomt en dit deel is aan mij geschonken als gift. De Profeet (vrede zij met hem) sprak tot hem: "Had je dan niet beter in het huis van je vader en moeder gebleven, om te zien of men jou daar ook een gift zou brengen als je oprecht bent? De werkzaamheden waarvoor je bent aangesteld, vormen immers de ware reden waarom men je schenkt; zou je thuisgebleven zijn, dan had men je niets gegeven. Het is daarom niet toegestaan deze giften als persoonlijk bezit toe te eigenen, enkel omdat zij jou als geschenk bereiken." Daarop besteeg de Profeet (vrede zij met hem) verontwaardigd de preekstoel, prees Allah, loofde Hem en sprak: Welnu, ik stel een van jullie aan in een functie over hetgeen Allah mij heeft toevertrouwd, waaronder de liefdadigheidsgelden en oorlogsbuit. Dan keert hij terug van zijn taak en zegt: “Dit is voor de gemeenschap en dit is een gift die aan mij persoonlijk is gegeven.” Had hij dan niet beter in het huis van zijn vader en moeder gezeten, om te zien of hem daar ook giften werden gebracht? Bij Allah, niemand onder jullie zal ook maar iets nemen waar hij geen recht op heeft, of hij zal zijn Heer ontmoeten op de Dag der Opstanding, terwijl hij dat voorwerp op zijn schouders draagt: een kameel die luid brult, of een koe die loeit, of een schaap dat blaat.’ Daarna hief de Profeet zijn beide handen krachtig omhoog, zodat de omstaanders het wit van zijn oksels konden zien en hij sprak: '‘O Allah, heb ik de boodschap overgebracht?’' Aboe Hoemayd As-Saaʿidi (moge Allah tevreden met hem zijn) getuigde: ‘'Mijn eigen ogen hebben het gezien, mijn eigen oren hebben het gehoord.’
Overgeleverd door Iyaas ibn ʿAbd Allah ibn Aboe Dhobaab — moge Allah tevreden met hem zijn — die zei: De Boodschapper van Allah (vrede zij met hem) zei: "Slaat de dienaressen van Allah niet." Daarop kwam Omar bij de Boodschapper van Allah (vrede zij met hem) en zei: "De vrouwen zijn brutaal geworden tegenover hun echtgenoten." Toen stond de Profeet toe dat zij geslagen mochten worden. Vervolgens kwamen er veel vrouwen uit de huishoudens van de Boodschapper van Allah (vrede zij met hem) die hun beklag deden over hun echtgenoten. Toen zei de Profeet (vrede zij met hem): "Waarlijk, veel vrouwen hebben de familie van Mohammed opgezocht om te klagen over hun echtgenoten. Die mannen behoren niet tot de besten onder jullie."
رواه أبو داود وابن ماجهDe Profeet (vrede zij met hem) verbood aanvankelijk het slaan van echtgenotes. Daarop kwam de leider van de gelovigen, ʿOmar ibn al-Khattaab — moge Allah tevreden met hem zijn — en zei: ‘'O Boodschapper van Allah, de vrouwen zijn brutaal geworden tegenover hun echtgenoten en hun gedrag is slecht geworden.’' Daarop gaf de Profeet (vrede zij met hem) onder strikte voorwaarden toestemming om hen met lichte, niet-schadelijke tikken tot rede te brengen, bijvoorbeeld indien zij zich verzetten tegen hun echtelijke plichten of opzettelijk ongehoorzaam zijn. Vervolgens kwamen er vrouwen bij de echtgenotes van de Profeet (vrede zij met hem) die hun beklag deden over buitensporig en pijnlijk geweld van hun echtgenoten en over het misbruik van deze beperkte toestemming. Daarop sprak de Profeet (vrede zij met hem): “Die mannen die hun vrouwen met buitensporige hardheid slaan, behoren niet tot de besten onder jullie.”
Van Ibn 'Omar (moge Allah tevreden zijn met hem) rapporteerde: De profeet (vrede zij met hem) zei: "Een moslim die iets heeft om over te beschikken, mag niet drie nachten slapen zonder dat zijn testament bij hem op schrift is gesteld.” Abdoellah ibn Omar (moge Allah tevreden zijn met hen) zei: "Sinds ik de Boodschapper van Allah (vrede zij met hem) dit hoorde zeggen, is er geen nacht voorbijgegaan zonder dat mijn testament bij me klaar lag."
Overeengekomen tussen al-Boekhari en MoeslimDe Profeet (vrede zij met hem) heeft benadrukt dat een moslim die bezittingen heeft, of het nu om rechten of bezittingen gaat, niet langer dan drie nachten zou moeten doorbrengen zonder zijn testament op schrift te hebben. Abdoellah ibn Omar (moge Allah tevreden zijn met hen) verklaarde dat hij, sinds hij dit hoorde, geen nacht zonder zijn testament doorbracht.
Overgeleverd van Oemm ‘Atiyya, moge Allah tevreden met haar zijn, die zei: De Boodschapper van Allah (vrede zij met hem) heeft gezegd: "Geen enkele vrouw dient langer dan drie dagen te rouwen om een overledene, behalve wanneer het haar echtgenoot betreft; dan bedraagt de rouwperiode vier maanden en tien dagen. Gedurende die periode draagt zij geen met kleurstof bewerkte kleding, behalve een ‘asb-gewaad. Ook gebruikt zij geen kohl (oogcosmetica) en geen geurstoffen, tenzij zij zich gereinigd heeft van haar menstruatie; dan mag zij een klein beetje van qoest of azfaar (bekende vormen van geurige wierook) aanbrengen."
Overeengekomen tussen al-Boekhari en Moeslim"De Profeet (vrede zij met hem) heeft vrouwen verboden om langer dan drie dagen te rouwen om een overledene – of het nu om een vader, een broer, een zoon of een ander gaat – door het nalaten van uiterlijke verfraaiing, zoals het gebruik van geurige oliën, oogkohl, sieraden en mooie kledij. Een uitzondering hierop geldt enkel voor de rouwperiode om een echtgenoot, die vier maanden en tien dagen bedraagt. Tijdens deze periode draagt zij geen kleding die voor verfraaiing is geverfd, met uitzondering van het zogenoemde ‘ʿasb-kleed’: een Jemenitisch gewaad dat reeds vóór het weven is geverfd. Zij brengt geen oogkohl aan ter verfraaiing, noch parfumeert zij zich met geurige oliën of andere geurstoffen. Een uitzondering wordt echter toegestaan wanneer zij zich na haar menstruatie baadt: dan mag zij een klein beetje qusto of azfaar – twee soorten wierook – gebruiken. Deze zijn niet bedoeld als geurmiddel in de zin van verfraaiing, maar worden toegestaan om de onaangename geur van het menstruatiebloed te verdrijven. Dit gebruik betreft enkel het reinigen van het vaginale gebied en is dus niet bedoeld als parfumering."
Overgeleverd door ‘Abdoellah ibn Yazid Al-Khatmi, die zei: Al-Barra (en hij is geenszins een leugenaar) vertelde mij: Telkens wanneer de Boodschapper van Allah (vrede zij met hem) zei: ‘'Allah hoort degene die Hem prijst,’' boog niemand van ons onze rug totdat de Profeet (vrede zij met hem) zich in gebed had neergelegd in de soejoed (knieling). Daarna brachten wij onze soejoed aan na hem.”
Overeengekomen tussen al-Boekhari en MoeslimAl-Barra vertelde, moge Allah tevreden zijn met hem, dat de Profeet (vrede zij met hem) en hij is betrouwbaar, telkens wanneer hij zijn hoofd oprichtte uit de booghouding (roekoe') en zei: ‘'Allah hoort degene die Hem prijst,’' de achter hem staanden rechtop bleven staan en niemand zijn rug boog voor de soejoed totdat de Profeet (vrede zij met hem) zijn voorhoofd op de grond had geplaatst. Daarna brachten zij hun soejoed na hem."