





























Hadeeth Cards
Da'wa cards that highlight great meanings from the noble prophetic hadiths in a simple style and attractive display that helps the Muslim to have a deeper understanding of his religion in an easy way
All
Overgeleverd van al-Aswad ibn Yazid — moge Allah tevreden met hem zijn —: Ik vroeg aan Aïsha wat de Profeet (vrede zij met hem) gewoonlijk deed in zijn huis. Zij antwoordde: "Hij verrichtte het werk en de taken van zijn gezinsleden, hiermee bedoelde zij het bedienen en helpen van zijn huisgenoten en zodra het tijd werd voor het gebed, begaf hij zich naar het gebed."
Overgeleverd door Al-BoekhariEr werd aan de Moeder der Gelovigen, Aïsha — moge Allah tevreden met haar zijn — gevraagd naar de toestand van de Profeet (vrede zij met hem) in zijn huis en hoe hij zijn werkzaamheden verrichtte. Zij antwoordde: "Hij was een mens als alle mensen en verrichtte de taken die mannen in hun huizen ook verrichten; hij diende zichzelf en zijn gezin. Hij melkte zijn schaap, maakte zijn kleding weer heel, repareerde zijn sandalen en richtte zijn wateremmer. En wanneer het tijd was om het gebed op te richten, begaf hij zich er onmiddellijk heen, zonder uitstel."
Overgeleverd door Boesr ibn Saʿied dat Zayd ibn Khalid Al-Juhani — moge Allah tevreden over hem zijn — hem uitzond naar Aboe Juhaym — moge Allah tevreden over hem zijn — om hem te vragen wat hij van de Boodschapper van Allah (vrede zij met hem) had gehoord betreffende iemand die zich voor een biddende persoon begeeft. Aboe Juhaym antwoordde: De Boodschapper van Allah (vrede zij met hem) heeft gezegd: "Als degene die zich vóór een biddende persoon begeeft zou weten welke [zware zonde] hem treft, dan zou hij verkiezen veertig te blijven staan, dat zou beter voor hem zijn dan dat hij zich voor hem begeeft." Aboe An-Nadr, de overleveraar, zei: "Ik weet niet of hij bedoelde: veertig dagen, of veertig maanden, of veertig jaren?" "
Overeengekomen tussen al-Boekhari en MoeslimDe Profeet (vrede zij met hem) waarschuwde uitdrukkelijk tegen het zich begeven voor een biddende persoon, ongeacht of deze het verplichte gebed of een vrijwillig gebed verricht. Indien degene die dit opzettelijk doet zou beseffen welke zonde en welk verlies hem te wachten staan, dan zou hij er liever voor kiezen veertig dagen, maanden of jaren onbeweeglijk te blijven staan dan zich voor een biddende te begeven. Aboe an-Nadr, de overleveraar, zegt: "Ik weet niet of de Profeet (vrede zij met hem) veertig dagen, maanden of jaren heeft genoemd."
Overgeleverd van Laqiet ibn Sabirah — moge Allah tevreden over hem zijn — die zei: "Ik was de afgevaardigde van de stam Banou al-Muntafiq — of een van de delegatieleden van de Banou al-Muntafiq — naar de Boodschapper van Allah (vrede zij met hem). Toen wij aankwamen bij de Boodschapper van Allah (vrede zij met hem), troffen wij hem niet in zijn woning aan, maar wij ontmoetten Aisha, de Moeder der Gelovigen — moge Allah tevreden over haar zijn. Zij gaf opdracht dat er voor ons een gerecht van vlees en meel werd bereid (chazira), dat vervolgens voor ons werd klaargemaakt. Daarna werd er voor ons een schaal met dadels gebracht. Toen arriveerde de Boodschapper van Allah (vrede zij met hem) en hij vroeg: “Is jullie iets aangeboden? Is er iets voor jullie klaargemaakt?” Wij antwoordden: “Ja, O Boodschapper van Allah.” Terwijl wij bij de Boodschapper van Allah (vrede zij met hem) zaten, dreef de herder de kudde schapen naar hun rustplaats, en bij hem bevond zich een pasgeboren geitje dat mekkerde. De Profeet vroeg hem: “Wat heeft zij gebaard, o dienaar?” De herder antwoordde: “Een vrouwtjeslam.” De Profeet (vrede zij met hem) zei toen: “Slacht in haar plaats een volwassen schaap voor ons.” Vervolgens voegde hij eraan toe: “Denk niet en hij zei niet: Gij zult niet denken dat wij dit speciaal voor jullie hebben geslacht. Wij bezitten honderd schapen, en wij wensen dat dit aantal niet toeneemt. Iedere keer dat er een lam wordt geboren, slachten wij ter vervanging daarvan een volwassen schaap.” Ik zei: “O Boodschapper van Allah, ik heb een vrouw, maar in haar spreken schuilt grofheid.” Hij zei: “Scheid dan van haar.” Ik antwoordde: “O Boodschapper van Allah, zij is reeds lange tijd mijn gezellin en ik heb kinderen bij haar.” Hij (vrede zij met hem) zei: “Vermaan haar, en als er iets goeds in haar schuilt, zal zij zich laten vermanen. En sla uw vrouw niet zoals u uw slaaf zou slaan.” Daarop zei ik: “O Boodschapper van Allah, leer mij de wassing voor het gebed.” De Profeet (vrede zij met hem) antwoordde:“Volmaak de wassing volledig, reinig de ruimte tussen de vingers zorgvuldig, en wees grondig bij het inhalen van water in de neus, behalve wanneer je vast, opdat het water niet in de keel terechtkomt.”
رواه أبو داود والترمذي والنسائي وابن ماجهLaqiet ibn Sabirah — moge Allah tevreden over hem zijn — vertelt dat hij samen met anderen van de stam Banou al-Muntafiq als afgevaardigde naar de Profeet (vrede zij met hem) kwam: "Toen zij de woning van de Profeet (vrede zij met hem) bereikten, troffen zij hem niet aan, maar ontmoetten zij Aisha — moge Allah tevreden over haar zijn. Zij beval dat er voor hen een gerecht werd bereid van vlees, meel en vet en dat er een schaal met dadels werd gebracht." Daarop arriveerde de Profeet (vrede zij met hem) en vroeg of er iets voor hen was klaargemaakt? Zij antwoordden bevestigend. Terwijl zij in zijn gezelschap zaten, bracht de herder van de Profeet (vrede zij met hem) de schapen naar hun rustplaats en droeg een lammetje dat mekkerde.De Profeet (vrede zij met hem) vroeg: “Wat heeft zij gebaard?” De herder antwoordde: “Een vrouwtjeslam.” De Profeet (vrede zij met hem) zei: “Slacht ter vervanging daarvan een volwassen schaap voor ons.” Vervolgens verklaarde hij: “Denk niet dat wij speciaal voor jullie deze schaap slachten. Wij hebben honderd schapen en wensen dat dit aantal niet toeneemt. Iedere keer dat er een lam wordt geboren, slachten wij een volwassen schaap ter vervanging.” Laqiet zei: “O Boodschapper van Allah, ik heb een vrouw met een onbeschaamde tong. Wat dien ik met haar te doen?” De Profeet (vrede zij met hem) antwoordde: “Scheid van haar.” Laqiet vervolgde: “O Boodschapper van Allah, zij is reeds lange tijd mijn gezellin en ik heb kinderen bij haar.” De Profeet (vrede zij met hem) zei: “Vermaan haar. Als er goedheid in haar schuilt, zal zij zich laten vermanen. Sla uw vrouw niet zoals u een slaaf zou slaan.” Daarop zei Laqiet: “O Boodschapper van Allah, leer mij de wassing (woedoe).” De Profeet (vrede zij met hem) antwoordde: “Volmaak de wassing volledig, reinig de ruimte tussen de vingers zorgvuldig, en wees grondig bij het inhalen van water in de neus, behalve wanneer je vast, opdat het water niet in de keel terechtkomt.”
Ibn Mas'oed (moge Allah tevreden zijn met hem ) zei: "Wij bevonden ons eens met de Boodschapper van Allah (vrede zij met hem) op reis. De Profeet verwijderde zich enige tijd om aan zijn behoefte te voldoen. Ondertussen zagen wij een roodachtige vogel, een ḥumra, met haar twee jongen en wij namen haar kuikens weg. Daarop begon de moeder verschrikt boven ons rond te fladderen, in grote onrust om haar kroost. Toen keerde de Boodschapper van Allah (vrede zij met hem) terug en zodra hij dit aanschouwde, sprak hij: “Wie heeft deze vogel haar kinderen afgenomen? Breng haar jongen onmiddellijk naar haar terug.” Even later zag hij een mierenhoop die wij in brand hadden gestoken, waarop hij vroeg: “Wie heeft dit vuur ontstoken?” Wij zeiden: “Dat waren wij, o Boodschapper van Allah.” Hij sprak: “Waarlijk, het past niemand om met vuur te straffen, behalve de Heer van het vuur.”
Overgeleverd door Aboe DawoedAbdellah ibn Mas'oed — moge Allah tevreden over hem zijn — verhaalde dat zij zich eens met de Profeet (vrede zij met hem) op reis bevonden. De Profeet verwijderde zich tijdelijk om aan zijn behoefte te voldoen. Ondertussen zagen zijn metgezellen een roodkleurige vogel, een ḥumra, die twee kuikens bij zich had en zij namen de jongen van haar weg. De moeder begon haar vleugels uit te spreiden en hevig te fladderen, bevangen door angst en onrust om het verlies van haar kleintjes. Toen de Boodschapper van Allah (vrede zij met hem) terugkeerde en dit aanschouwde, sprak hij: “Wie heeft deze vogel bedroefd en haar angst aangejaagd door haar jongen van haar weg te nemen?!” Vervolgens beval Hij (hem) haar terug te geven. Daarna zag hij een mierenhoop die in brand was gestoken. Hij vroeg: “Wie heeft dit vuur aangestoken en deze mieren verbrand?” Sommigen van zijn metgezellen antwoordden: “Dat waren wij.” Waarop hij hen toesprak: “Niemand heeft het recht om een levend wezen met vuur te straffen, behalve Allah, de Schepper van het vuur.”
Anas ibn Mālik (moge Allah tevreden met hem zijn) rapporteerde: "Tijdens het verblijf van de Profeet (vrede zij met hem) in de moskee, bevonden wij ons eens tezamen met hem, toen er een bedoeïen de moskee binnenkwam. Zonder aarzeling begon hij in de moskee zijn behoefte te doen en urineerde aldaar. De metgezellen van de Boodschapper van Allah (vrede zij met hem) spraken hem scherp toe en riepen: "Stop! Stop daarmee!" Daarop zei de Boodschapper van Allah (vrede zij met hem): "Laat hem begaan, hinder hem niet." Zij lieten de man met rust tot hij zijn behoefte had voltooid. Toen riep de Profeet (vrede zij met hem) de man tot zich en sprak tot hem: "Voorwaar, deze gebedshuizen zijn niet bestemd voor dergelijke onreinheden of vuilheid. Zij zijn louter gewijd aan de herinnering aan Allah, de Almachtige, aan het gebed en aan het reciteren van de Koran." Of woorden van gelijke strekking zoals overgeleverd van de Boodschapper van Allah (vrede zij met hem). Daarna beval de Profeet (vrede zij met hem) een van de aanwezigen om een emmer water te halen en hij goot het water over de plaats waar de man had geürineerd."
Overeengekomen tussen al-Boekhari en MoeslimDe Profeet (vrede zij met hem) bevond zich in de moskee, samen met zijn metgezellen. Daarop kwam er een bedoeïen uit de woestijn, die ging zitten en begon te urineren in een hoek van de moskee. De metgezellen berispten hem en zeiden: "Houd op, stop daarmee!" Maar de Profeet (vrede zij met hem) sprak: "Laat hem begaan, onderbreek zijn behoefte niet." Zij lieten hem met rust tot hij volledig klaar was. Daarna riep de Profeet (vrede zij met hem) hem tot zich en zei: "Voorwaar, de moskeeën zijn niet geschikt voor dit soort onreinheid of andere vormen van verontreiniging. Zij zijn uitsluitend bestemd voor de vermelding van Allah, de Verhevene, voor het gebed en voor het reciteren van de Koran en dergelijke vormen van aanbidding." Daarna gaf de Profeet (vrede zij met hem) een van zijn metgezellen de opdracht om een emmer gevuld met water te halen. Deze bracht de emmer, waarna de Profeet het water zonder moeite uitgoot over de plaats waar de man had geürineerd.
Aboe Hoerayrah (moge Allah tevreden met hem zijn) rapporteerde: "De Profeet (vrede zij met hem) heeft verboden zich na het verrichten van de behoefte te reinigen met uitwerpselen of beenderen. Hij sprak: “Waarlijk, deze zaken zuiveren niet.”
Overgeleverd door Ad-DaraqotniDe Profeet (vrede zij met hem) verbood degene die zijn natuurlijke behoefte heeft gedaan, zijnde urine of ontlasting, zich te reinigen met botten van dieren of hun uitwerpselen en droge resten en hij zei: "Het verwijdert de onreinheid niet en reinigt er ook niet van."
Van Aisha, de moeder der gelovigen (moge Allah tevreden zijn met haar) heeft overgeleverd: Dat de profeet (vrede zij met hem), wanneer hij na het toilet verliet zei: 'Vergeef mij O Allah."
Overgeleverd door Aboe Dawoed, At-Tirmidhi, Ibn Maja en AhmedWanneer de profeet (vrede zij met hem) zijn behoefte deed en klaar was, placht hij te zeggen: 'Ik vraag U om vergeving, o Allah"
Overgeleverd van Salman (moge Allah tevreden over hem zijn), die zei: "De polytheïsten zeiden tot ons: "Waarlijk, wij zien dat jullie metgezel (=de Profeet) jullie zelfs onderricht geeft over de behoefte doen!" Daarop antwoordde hij: "Zeker, hij heeft ons verboden dat iemand van ons zich reinigt met zijn rechterhand, of zich tijdens het behoefte doen richt naar de Kaaʿba, en hij heeft ons verboden uitwerpselen en beenderen te gebruiken (voor de reiniging). En hij heeft gezegd:"Laat niemand van jullie zich reinigen met minder dan drie stenen." "
Overgeleverd door MoeslimSalman Al Farisi (moge Allah tevreden over hem zijn) verhaalde: De polytheïsten zeiden spottend tot ons: “Waarlijk, jullie Profeet onderwijst jullie alles, zelfs hoe jullie jullie behoefte moeten doen!” Daarop antwoordde Salman (moge Allah tevreden over hem zijn): "Zeker, hij heeft ons de etiquette van het ontlasten geleerd. Zo heeft hij (vrede zij met hem) ons verboden ons na het verrichten van de behoefte te reinigen met de rechterhand, uit eerbied en bescherming van die hand tegen onreinheid; eveneens heeft hij ons verboden ons tijdens het urineren of ontlasten richting de Kaaʿba te keren; hij heeft ons afgeraden gebruik te maken van dierlijke uitwerpselen of beenderen om ons te reinigen; en hij heeft bepaald dat men zich bij het gebruik van stenen niet mag beperken tot minder dan drie stuks."
Anas (moge Allah tevreden met hem zijn) zei: "Tot de Soenna behoort dat de moeadhien bij het oproepen tot het gebed voor het ochtendgloren (de adhaan van het Fadjr-gebed), na de woorden “Hayya ʿala-l-falaah” (Haast u naar het welslagen), uitroept: “As-salaatu khayrun minan-nawm” — “Het gebed is beter dan de slaap.”
رواه ابن خزيمة والدارقطني والبيهقيAnas ibn Maalik — moge Allah tevreden met hem zijn — bericht ons dat de Boodschapper van Allah (vrede zij met hem) in zijn profetische traditie (Soenna) heeft bevestigd dat het behoort tot de juiste overlevering, dat de moeadhien, uitsluitend bij de oproep tot het ochtendgebed, na het uitroepen van “Hayya ʿala-l-falaah”, toevoegt: “Het gebed is beter dan de slaap.”