





























Hadeeth Cards
Da'wa cards that highlight great meanings from the noble prophetic hadiths in a simple style and attractive display that helps the Muslim to have a deeper understanding of his religion in an easy way
All
Overgeleverd door Aboe Hoerayra (moge Allah tevreden zijn met hem) dat de boodschapper van Allah (vrede zij met hem) zei: "De meest geliefde plaatsen bij Allah zijn de moskeeën en de meest verfoeide plaatsen bij Allah zijn de markten."
Overgeleverd door MoeslimDe Profeet (vrede zij met hem) heeft verduidelijkt dat de dierbaarste plaatsen bij Allah de moskeeën zijn, aangezien zij de huizen van gehoorzaamheid vormen, gevestigd op godsvrucht en vroomheid. De meest gehate plaatsen voor Allah zijn de markten, omdat deze doorgaans broeinesten zijn van bedrog, misleiding, woekerpraktijken, valse eden, het verbreken van beloften en het achteloos zijn jegens de gedenking van Allah.
Aboe Hoerayra (moge Allah tevreden zijn over hem ) zei: De boodschapper van Allah (vrede zij met hem) zei: "Wie een onrecht jegens zijn broeder heeft, ofwel aan diens eer of enig bezit, laat dit vandaag nog rechtzetten, voordat er geen dinar meer is, noch dirham. Indien hij goede daden bezit, zullen die in verhouding tot het onrecht worden afgenomen. En als hij geen verdiensten heeft, zullen de zonden van de benadeelde van hem worden afgenomen en op hem worden gelegd".
Overgeleverd door Al-BoekhariDe Profeet (vrede zij met hem) beval iedereen die onrecht heeft aangedaan aan zijn broeder in diens eer, bezit of leven, dat hij zijn onrechtpleger dient te verzoeken om vergiffenis zolang hij nog in deze wereld leeft, vóórdat de Dag des Oordeels aanbreekt, wanneer geen gouden dinar noch zilveren dirham iemand ten bate zal zijn om zijn ziel mee vrij te kopen; want de vergelding op die dag geschiedt door goede en kwade daden: aan de benadeelde worden van de goede daden van de onrechtpleger afgenomen naar de mate van het onrecht dat hem werd aangedaan en indien de onrechtpleger geen goede daden bezit, worden diens zonden vermeerderd met de zonden van de benadeelde naar de omvang van het onrecht.
Overgeleverd door ‘Aisha, de moeder der gelovigen, moge Allah tevreden met haar zijn, die zei: Ik hoorde de Boodschapper van Allah (vrede zij met hem) zeggen: "Op de Dag des Oordeels zullen de mensen worden opgewekt naakt, blootsvoets en onbesneden." Ik vroeg: “O Boodschapper van Allah, zullen mannen en vrouwen dan allen elkaar zien?” Waarop hij (vrede zij met hem) antwoordde: «O ‘Aïsha, de situatie zal zo verschrikkelijk zijn dat zij niet eens naar elkaar zullen kijken."
Overeengekomen tussen al-Boekhari en MoeslimDe Profeet (vrede zij met hem) beschreef een aspect van de Dag des Oordeels, namelijk dat de mensen na hun opstanding uit de graven verzameld worden voor het rekeningschap, in een toestand van naaktheid, zonder schoenen en kleren, onbesneden en onbedekt zoals zij ter wereld kwamen. Toen hoorde ‘Aïsha, de Moeder der Gelovigen, dit en vroeg vol verbazing: “O Boodschapper van Allah, zullen mannen en vrouwen dan allemaal elkaar zien?” De Profeet (vrede zij met hem) maakte haar duidelijk dat de omstandigheden en de ontzagwekkende gebeurtenissen van die Dag zó overweldigend zullen zijn dat niemand aandacht zal schenken aan het zien van elkaars naaktheid.
Ibn 'Abbaas (moge Allah tevreden met hem zijn) zei: "De Boodschapper van Allah (vrede zij met hem) sprak tot al-Asjaj, hoofd van de stam ʿAbd al-Qays:“Waarlijk, in u bevinden zich twee eigenschappen die Allah liefheeft: zachtmoedigheid en bedachtzaamheid.”
Overgeleverd door MoeslimDe Profeet (vrede zij met hem) richtte zich hiermee tot Al-Moendhir ibn ʿAaʾidh, bekend als al-Asjaj van de stam ʿAbd al-Qays, hun leider en vooraanstaande man — moge Allah tevreden met hem zijn. Waarlijk, in u schuilen twee eigenschappen die Allah liefheeft: "Verstandigheid, bedachtzaamheid en waardige kalmte, het vermijden van overhaasting."
Aboe Hoerayra (moge Allah tevreden zijn met hem ) heeft overgeleverd dat de Profeet (vrede zij met hem) zei: "Voorwaar, wanneer Allah een dienaar liefheeft, roept Hij Jibriel (vrede zij met hem) en zegt: ‘Ik heb die-en-die lief, heb hem dan ook lief.’ Daarop bemint Jibriel hem.Vervolgens roept Jibriel in de hemelen en zegt: ‘Allah heeft die-en-die lief, bemint hem dan ook.’ Zo beminnen de bewoners van de hemelen hem, en vervolgens wordt er voor hem aanvaarding op aarde gevestigd. En wanneer Allah een dienaar verafschuwt, roept Hij Jibriel en zegt: ‘Ik verafschuw die-en-die, verafschuw hem dan ook.’ Daarop verafschuwt Jibriel hem, en vervolgens roept hij onder de bewoners van de hemelen: ‘Allah verafschuwt die-en-die, verafschuw hem dan ook.’ Zo verafschuwen zij hem, en vervolgens wordt er voor hem haat en afkeer op aarde gevestigd".
صحيح مسلمDe Profeet (vrede zij met hem) berichtte dat wanneer Allah een dienaar liefheeft, een gelovige die Zijn geboden gehoorzaamt en Zijn verboden vermijdt, Hij Jibriel opdraagt: "Ik heb die-en-die lief, heb hem dan ook lief” Daarop bemint Jibriel, de leider der engelen, hem, en roept Jibriel vervolgens tot de engelen in de hemelen: "Ik heb die-en-die lief, heb hem dan ook lief" Hierdoor beminnen ook de bewoners van de hemelen hem en wordt voor hem in de harten van de gelovigen op aarde aanvaarding, genegenheid en welbehagen gevestigd." En indien Allah een dienaar verafschuwt, roept Hij Jibriel: "Ik verafschuw die-en-die, verafschuw hem dan ook. Jibriel verafschuwt hem en roept vervolgens tot de bewoners van de hemelen": "Voorwaar, jullie Heer verafschuwt die persoon, verafschuw hem dan ook.” Hierdoor verafschuwen ook zij hem en wordt haat en afkeer in de harten van de gelovigen op aarde voor hem gevestigd."
Omar ibn Al-Khattaab, moge Allah tevreden over hem zijn: "Er werd krijgsgevangenen tot de Profeet (vrede zij met hem) gebracht en zie: een vrouw uit de groep gevangenen was haar borst aan het uitknijpen om melk te laten vloeien, terwijl zij zoekend rondliep om een kind te drinken te geven. Zodra zij een kind tussen de gevangenen vond, greep zij het vast, drukte het stevig tegen haar buik aan en begon het te zogen. Toen sprak de Profeet (vrede zij met hem) tot ons: “Denken jullie dat deze vrouw haar kind vrijwillig in het vuur zou werpen?” Wij zeiden: “Neen, nooit, indien zij in staat is dat te verhinderen.” Toen sprak hij (vrede zij met hem): “Allah is waarlijk barmhartiger voor Zijn dienaren dan deze vrouw voor haar kind.”
Overeengekomen tussen al-Boekhari en MoeslimEr werden krijgsgevangenen uit de stam Hawazin tot de Profeet (vrede zij met hem) gebracht. Onder hen bevond zich een vrouw die radeloos op zoek was naar haar zoontje. Wanneer zij een willekeurig kind vond, nam zij het op, zoogde het, vanwege de pijn die zij ondervond door de ophoping van melk in haar borsten. Uiteindelijk vond zij haar eigen zoon tussen de gevangenen, waarop zij hem stevig tegen haar buik drukte en begon te zogen. De Profeet (vrede zij met hem) vroeg zijn metgezellen: “Denken jullie dat deze vrouw haar kind in het vuur zou werpen? Wij antwoordden: “Neen, zij zou dat nooit vrijwillig doen.” Daarop zei hij (vrede zij met hem): “Allah is barmhartiger voor Zijn dienaren dan deze vrouw voor haar kind.”
Van Moe'awiya (moge Allah tevreden zijn met hem) zei: 'Ik hoorde de Boodschapper van Allah (vrede zij met hem) zeggen: "De oproepers tot het gebed (moedhins) zullen de langste nekken hebben op de Dag der Opstanding."'
Overgeleverd door MoeslimDe Profeet (vrede zij met hem) gaf aan dat de moedhiens, degenen die de oproep tot het gebed doen, de langste nekken zullen hebben op de Dag der Opstanding. Dit is een eerbetoon aan hun nobele taak, hun overvloedige goede daden en de enorme beloning die hen ten deel zal vallen.
Abdellah ibn Amr (moge Allah tevreden zijn met hen beiden) zegt dat de Boodschapper van Allah (vrede zij met hem) zei: "Wie Allah ontmoet zonder iets aan Hem gelijk te stellen, diens zonden zullen hem niet schaden; en wie sterft terwijl hij iets aan Allah gelijkstelt, zal geen enkele goede daad hem baten."
Overgeleverd door AhmedDe Profeet (vrede zij met hem) heeft bericht dat wie sterft en Allah ontmoet als een zuivere monotheïst, die niets aan Hem gelijkstelt, behoort tot de bewoners van het Paradijs, zelfs indien hij vanwege zijn zonden tijdelijk in het Vuur wordt gestraft. En wie sterft terwijl hij iets aan Allah gelijkstelt, zal geen enkele goede daad hem baten; het Paradijs is hem dan verboden.
Overgeleverd door Aboe Moesa, moge Allah tevreden met hem zijn, dat hij zei: De Boodschapper van Allah (vrede en zegeningen zij met hem) stond onder ons op en sprak vijf woorden en hij zei: "Voorwaar, Allah, de Almachtige en Majestueuze, slaapt niet en het past Hem ook niet om te slapen. Hij verlaagt en verheft het recht en de daden van de nacht worden vóór de daden van de dag tot Hem opgeheven, terwijl de daden van de dag vóór die van de nacht tot Hem komen. Zijn sluier is het Licht, in een andere overlevering: Het Vuur en als Hij het zou wegnemen, zouden de stralen van Zijn aangezicht alles verbranden waartoe het zicht van Zijn schepselen reikt."
Overgeleverd door MoeslimDe Profeet (vrede zij met hem) hield een toespraak tot zijn metgezellen en sprak daarbij vijf volmaakte, kernachtige zinnen, namelijk: De eerste: dat Allah, de Almachtige en Majestueuze, niet slaapt. De tweede: Dat slaap voor Hem onmogelijk is, vanwege de volmaaktheid van Zijn zelfbestaandheid en Zijn eeuwig levende wezen. De derde: Dat Hij, Verheven zij Hij, de weegschaal verlaagt en verheft overeenkomstig de daden van de dienaren die tot Hem opstijgen en overeenkomstig de levensonderhoud die van Hem neerdalen naar de aarde. Zo bepaalt Hij het aandeel dat elke schepping toekomt: Hij kan het beperken en Hij kan het verruimen. De vierde: Dat de daden van de dienaren tot Hem worden opgeheven, de daden van de nacht vóór die van de dag erna en de daden van de dag vóór die van de daaropvolgende nacht. De engelen die waken stijgen op met de werken van de nacht zodra die voltooid is bij het aanbreken van de dag en met de werken van de dag zodra die voltooid is bij het intreden van de nacht. De vijfde: Zijn sluier, die het schepsel verhindert Hem te aanschouwen, is Licht (in een andere overlevering: Vuur). Zou Hij die wegnemen, dan zouden de stralende glansen van Zijn Aangezicht alles verzengen tot waar Zijn blik onder de schepping reikt; want de glansen van Zijn Aangezicht zijn Zijn Licht, Zijn Majesteit en Zijn Schitterende Heerlijkheid. En de betekenis is: indien Hij de sluier, die verhindert dat Hij aanschouwd wordt, zou wegnemen en Zich aan Zijn schepping zou openbaren, dan zouden de stralende glansen van Zijn Aangezicht alles verbranden tot waar Zijn blik reikt en dat omvat al wat bestaat. Want Zijn alomvattende blik omspant de gehele schepping.